donderdag 17 juli 2014

Drie generaties van Luneschlorf


Charles van Luneschlorf
Het gesprek begint over het leven van Ronald van Luneschlorf bij de brandweer van Baarn. Geanimeerd vertelt hij over het familiegevoel, de zaterdagen van auto’s wassen en poetsen en de enorme klussen die de brandweercollega's van jaren geleden soms samen deden ... Een mooi bruggetje om terug te grijpen naar de eerste gene­ratie Van Luneschlorf bij de brandweer: zijn vader.
 


De eerste generatie
Voor vader Van Luneschlorf was het helpen van je medemens en voor iedereen klaarstaan vanzelfsprekend. Hij werkte bij de ambulancedienst, liep brandwacht bij Astoria en was brandweerchauffeur-pompbediener in het Baarnse en kon absoluut geen 'nee' zeggen! Dat ging wel eens ten koste van het gezin, want destijds waren er maar vier chauffeurs, die altijd dienst hadden, dus kon hij nooit weg. Maar er zaten ook voordelen aan. De kinderen mochten regelmatig gratis mee naar toneelvoorstellingen als pa brandwacht liep.

De tweede generatie
Ronald heeft de instelling van zijn vader en het begon al bij de jeugdbrandweer in de tijd dat pa chauffeur bij het grote korps was. Maar pa en hij hielden dat graag gescheiden van elkaar. Hun grote overeenkomst is hun taak als chauffeur­pompbediener, waar ze beiden hun hart aan verpand hebben. Het grote verschil tussen pa van Luneschlorf en Ronald is de interesse voor 'techniek'. De oplossingsgerichte kijk van Ronald op materiaal en de inzet van technische oplossingen met de eenvoudigst mogelijke middelen, heeft hij vaak bij een inzet kunnen toepassen. Kijken, nadenken, dóén!



Judith, Yvonne, Dave en Ronald

In de loop van de 27 jaren die Ronald al dienst doet, is heel wat gepasseerd. Er zijn bepaalde uitrukken die altijd in zijn geheugen gegrift zullen blijven. Indrukwekkend omdat het gaat om hulp aan mensen, helaas soms te laat. 'Misschien ook wel door bijzondere bedankjes die je achteraf soms mag ontvangen,' zegt hij. 'Dat raakt je, dáár doe je het voor!'

Er is nog meer wat bij 'brandweerfamilie' Van Luneschlorf in sterke mate aanwezig is: de steun en betrokkenheid van het thuisfront. Echtgenote Yvonne is het luisterend oor.
Voor haar was de brandweer altijd goed. De vele uren die erin gingen zitten? Ze gaf wel aan als het te gek werd.

De derde generatie is een feit
De kinderen kregen het brandweergevoel mee bij hun eerste stapjes. Ze woonden een aantal jaren met het gezin in het huisje op de begraafplaats, net achter de kazerne. Elke uitruk stond Judith aan het hek en kreeg zo automatisch veel van de brandweer mee. Geen wonder dus dat Judith en Dave, opgegroeid bij, voor en in de brandweer, vele jaren actief lid waren bij de jeugdbrandweer.

Voor beide kinderen kwam ook het keuzemoment, wel of niet overstappen naar het 'grote' brandweerkorps. Dave was nog maar net begonnen, maar kwam helaas op 4 november 2007 door een noodlottig ongeval om het leven. Judith is toch iets anders gaan doen.

Tot slot laat Ronald zijn blik nog even rusten op de toekomst. Vooruitdenken is ook een eigenschap die hem in het bloed zit. De rust erin brengen en je niet gek laten maken. Graag zet hij zich in voor de jongere generatie brandweermensen. De techniek, het gevoel, de interesse. Je moet er voor open­staan. je krijgt het mee of niet. Vooral de chauffeurs zullen die wijsheid van hem kunnen beamen.


Ronald groeit mee met de tijd, hij is nog jong van jaren, maar tóch al een van de oudgedienden op dit moment. Hij kan het niet laten, hij wil zijn interviewer nog wat meegeven: 'Laat de brandweerorganisatie van deze tijd een professionele zijn, met alle problematiek van deze tijd. Met meer aandacht voor de werkgevers bijvoorbeeld. Die moeten bereid zijn de vrij­willigers te laten gaan als er wat aan de hand is. Verder met een blijvend oog voor detail, voor de mensen, de vrijwilligers en de hele brandweersfeer waar het velen nog om te doen is.' Hij blijft er symbool voor staan, de zoon van de eerste generatie Van Luneschlorf bij de Baarnse brandweer...

Ronald red een paard samen met zijn collega's

Geplaatst door L.J.A.Bakker oud korpslid van Brandweer Baarn

http://www.grijsvuur.nl

Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter

donderdag 10 juli 2014

Een villa vol Schimmels in Baarn

Prof. dr. Johanna Westerdijk
Op bezoek bij Prof. dr. Johanna Westerdijk in het grootste schimmelreservoir ter wereld in Baarn op 3 oktober 1952.

Jantje krijgt zonder dat ge het merkt een druppel limonade op zijn broekje; ge legt het kleding­stuk opgevouwen weg in de kast en tijd en weder dienende, zit er op een gegeven ogenblik op dat broekje 'n wollige vlek: schimmel. De schaatsschoenen gaan na de winter in een stevige, gesloten kist. En als het weer winter wordt, zijn ze groen uitgeslagen: schimmel.

Als het mee zit (of tegen, als ge het zo noemen wilt), zult ge overal in huis, overal in de natuur schimmels vinden. Ge zult op een goede dag op de inmaak schimmel vinden en deze verwensen. Maar wanneer de delica­tessenhandel de liefhebber Roquefort­kaas zou verkopen zonder groene schimmeladeren, dan zou die liefheb­ber beslist een andere leverancier nemen. En wanneer de brouwer en de wijnboer het zonder schimmels (die men daar gist noemt) zouden moeten doen, zou de wereld erg "nuchter" worden. Ontneem de bakker de gist, schimmel dus, en het luchtige brood wordt een afschuwelijke, kleffe, oneet­bare klomp. En de dokters hadden het maar slecht, als er geen schimmels waren. Eeuwenlang hebben ze met extracten van moederkoren aanstaande moeders geholpen, met extracten dus van een schimmel, die woekert op de roggeaar. Penicilline, aureomy­cine, terramycine en hoe de moderne bacteriedodende middelen allemaal heten, zijn extracten van schimmels.




Mejuffrouw Beverwijk handhaaft orde en leven


Mejuffrouw Balfoort
Wat zijn dat nu eigenlijk, die schim­mels? Het zijn, zal de deskundige u zeggen, planten zonder bladgroen. Een gewone plant, laat ons zeggen een madeliefje of een boerenkool, heeft groene bladeren, groen door een zeer bijzondere kleurstof, het chlorophyl. Door het bezit van dat chlorophyl kan de plant uit het koolzuur van de lucht en het water van de bodem suiker, koolhydraten, houtweefsel, bloemen en vruchten vormen. De schimmels bezitten dat bladgroen niet (ook 'al zijn ze groen gekleurd, zoals bijvoorbeeld de groene schimmel op de kaas) en ze moeten dus hun lichaam opbouwen uit bestanddelen van de bodem, waarop ze groeien. Ze groeien op vlees en op vis, op leer en op suiker, op kaas en op hout, op levende dieren en planten, op vrijwel alles. Niet elke schimmel groeit op elke voedings­bodem, maar je kunt het zo wonderlijk niet verzinnen of op een of andere stof kan altijd wel een of andere schimmel groeien.


de heer de Vries,
lichtkleur en schimmels







De schimmels hebben nog iets, dat afwijkt van de meeste planten. Ze bloeien niet in de gewone zin van het woord; ze vormen geen vruchten, zoals we die kennen bij de kers en de granen, bij de appel en de peer. Ze planten zich voort als de varen planten; door sporen, heel kleine zaadjes als het ware, die gevormd worden in bepaalde vruchtlichamen van de schimmel. Die sporen worden afgestoten, kunnen urenver zwerven, vooral bij vochtig, stil weer, en als ze tenslotte ergens terechtkomen op een ondergrond, die een goede voedingsbodem levert, ont­wikkelen ze zich tot schimmels. Ge kunt ze inademen en als ge er gevoelig voor zijt, kunnen ze onaangename astma-aanvallen verwekken. Bepaal­de schimmels kunnen zich nestelen op en in uw huid; ontstekingen, zwellin­gen kunnen tot gevolg zijn. Tal van tropische huidziekten zijn in werke­lijkheid schimmelziekten.


Nu is het natuurlijk van belang te weten, welke schimmels er zijn, wat ze doen, waarop ze groeien en nog veel meer. Dat is op de eerste plaats een zaak van wetenschappelijke aard, maar als we nagaan, dat bijvoorbeeld alle alcoholische dranken tot stand komen door de werking van schim­mels, willen we wel eens weten, welke van die gistsoorten het meest produc­tief zijn, welke de minste of de aange­naamste bijsmaak verwekken en nog veel meer. Vanaf het ogenblik, dat we de bacteriedodende werking van schimmels kennen, willen we wel alle schimmels onderzoeken. Maar waar halen we ze vandaan ! Wie zegt ons, met welke schimmel we te doen hebben? Wie zegt ons, hoe we nuttige schimmels in grote hoeveelheden kun­nen kweken!

 


Mejuffrouw Bunschoten
Mejuffrouw Stolk


























Het zou wel wonderlijk zijn, als op dit gebied geen specialisten bestonden en geen speciale instituten in stand werden gebonden. Misschien wel de grootste schimmel­kenster der wereld is een Nederlandse, prof. dr Johanna Westerdijk, en het grootste instituut op dit gebied is het Centraal Bureau voor Schimmelcul­tures in Baarn.

Hoeveel schimmels ze daar hebben! Een dikke achtduizend. zijn dat alle schimmels, die er bestaan? Bij lange na niet. Er zal nog heel wat werk en geld nodig zijn om een vollediger, niet eens een geheel volledig beeld te krijgen van de wereld der schimmels.

Te Baarn daar kweekt men schim­mels. De meeste zijn wel volgzaam. Ze groeien in een net, glazen buisje of in een schaal, op voedingsbodems, die bestaan uit vruchtensappen, plant­extracten, mout, aardappelen, lupine­stengels, takjes van bomen, stukken peen, havermout, maïs, tarwemeel, op vlees, vismeel en lever. Sommige rakkers willen levend materiaal heb­ben: dat zijn de echte parasieten, maar de meeste zijn tevreden met dood, gesteriliseerd materiaal. Maar ze willen wel op tijd een verse dis. Minstens eens in de drie maanden, sommige eens in de twee, enige elke maand, moeten ze overgeënt worden op een verse cultuurbodem. Dat is een reuzenwerk, dat erg minutieus moet geschieden, omdat men in elke culture slechts één schimmel wil hebben.
Een sneeuwlandschap in een kolf


Als de kantenwaaier van grootmoeder


























De onderzoekers, bijvoorbeeld zij, die op zoek zijn naar bacteriedodende middelen, willen reincultures hebben en precies weten, welke schimmel het is, welke stam en wat dies meer zij.

Sommige schimmels willen groeien bij een zachte, prettige temperatuur, andere moeten om aan het groeien te komen eens een uurtje in de ijskast, sommige willen licht hebben, andere duisternis; de ene wil veel zuurstof verbruiken, de andere weinig. Ze heb­ben noten op hun zang en het is de verdienste van professor Westerdijk en haar staf, dat ze precies weten, welke die noten zijn en hoe men het de schimmels naar de zin moet maken. En zo ziet men daar in Baarn buizen en kolven, schalen en flessen, allemaal keurig van een etiket voorzien, alle­maal gevuld met de wonderlijkste for­maties: met sneeuwlandschappen in het klein, met fijne spinsels als groot­moeders waaier van Brusselse kant.

Nog steeds komen er schimmels bij: onbekende, die bestudeerd en gedoopt moeten worden, en variaties van bekende. En het instituut groeit, wordt te klein. Een villa vol schim­mels, nog voller van schimmels dan uw kelderkast, waar het toch al zo erg is.
 
De originele titel van het stuk heet: "Vriendelijke en Onvriendelijke Schimmels" En begint met de teks: 'Een bezoek aan het grootste schimmelreservoir ter wereld"
 
Dit artikel staat in het weekblad van de Katholieke Illustratie van 3 october 1952, 86e jaargang, No: 40, op de pagina 's 1285 tot 1287.
 
De jaargang van 1952 van de Katholieke Illustratie, waar dit artikel instaat bestaat uit 1800 pagina's, is puntgaaf en is te koop voor € 75,00 excl. verzendkosten bij mij.
 
Ik koop namelijk weekbladen op, kopieer de artikelen, publiceer deze op onze site en verkoop ze dan weer door. Het geld van de verkoop van de weekbladen wordt weer gebruikt voor aankoop van andere weekbladen.
 
Heeft u nog vragen e-mail gerust naar:

bakker.groenegraf@gmail.com

 
Leen Bakker
Geplaatst door L.J.A.Bakker

http://knipselsuitkranten.nl

http://www.grijsvuur.nl

Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter


woensdag 9 juli 2014

Ereveld, het verhaal van een reis, een ontdekking en een Indische familiegeschiedenis

Bevrijdingsmonument Baarn 1940-1945, Stationsplein.
Mooi bloeit de magnolia.
Foto: Collectie Groenegraf.nl
Op 15 augustus vindt in Den Haag  bij het Indisch Monument, gelegen in de Scheveningse bosjes, de officiële landelijke herdenking plaats van de capitulatie van het Japanse leger in het voormalige Nederlands-Indië (nu Indonesië) op 15 augustus 1945. In ons eigen Baarn wordt deze herdenking gehouden bij het Bevrijdingsmonument op het Stationsplein. Dit in 1946 uit blokken natuursteen opgerichte  monument werd onthuld op 3 mei 1947. In eerste instantie opgericht ter herdenking van alle slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, kreeg het monument een meer specifiek Baarnse betekenis door de op 29 oktober 2001 door Z.K.H. Prins Bernhard onthulde plaquette met daarop de namen van eenendertig Baarnse oorlogsslachtoffers. De jaarlijkse gehouden herdenking wordt georganiseerd door het Comité 4 en 5 Mei Baarn (www.4en5meibaarn.nl)


15 augustus 1945
Op 15 augustus 1945 maakte de Japanse keizer Hirohito in een radiotoespraak de capitulatie van zijn leger bekend en op 2 september werd in de baai van Tokio door vertegenwoordigers van het Japanse keizerrijk het officiële document van de overgave getekend aan boord van het Amerikaanse slagschip USS Missouri. Hiermee werd de Tweede Wereldoorlog ook in Zuidoost-Azië beëindigd. Op 16 augustus werden de poorten van de Japanse mannen –en vrouwenkampen in Nederlands-Indië geopend. Naar schatting 110.000 Nederlandse staatsburgers, onder wie zowel blanke als gemengdbloedige Indische Nederlanders werden bevrijd na ruim drie jaar internering. Velen van hen waren ernstig ziek en verzwakt door het schaarse eten, het gebrek aan medische zorg en de erbarmelijke leefomstandigheden in de kampen. Ook buiten de kampen hebben niet geïnterneerde Indische Nederlanders honger en ontberingen geleden. Zij bezaten weliswaar het Nederlandse staatsburgerschap, maar op basis van hun afstamming van een Indonesische (Inlandse) voormoeder konden ze bij de Japanse bezetter aantonen dat ze tot de inheemse bevolking behoorden. Zij werden ’buitenkampers’  genoemd. Hun aantal werd geschat op 200.000. Militairen van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL)) die dwangarbeid in Birma, Siam (Thailand), China en Japan overleefd hadden, hebben maandenlang op verscheping moeten wachten. Het aantal krijgsgevangenen, dat buiten Nederlands-Indië in door Japan bezet gebied werd bevrijd, kan worden geschat op ongeveer 25.000. Op 17 augustus 1945 werd door de politieke leiders Soekarno en Mohammad Hatta de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië uitgeroepen. Het Nederlandse gouvernement weigerde echter de onafhankelijkheid te erkennen en wilde hoe dan ook de ’oude’ koloniale orde herstellen. Vanaf september 1945 brak een uiterst gewelddadige periode aan welke de geschiedenis is ingegaan onder de naam Bersiaptijd. (Bersiap: wees paraat). Indonesische vrijheidsstrijders belaagden blanke en Indische Nederlanders. Woonhuizen werden geplunderd en duizenden burgers werden vermoord.
  
Oorlogsgravenstichting
Velen van hen vonden hun laatste rustplaats op één van de door NederlandseOorlogsgravenstichting (OGS) op Java  ingerichte erevelden. Deze in 1946 opgerichte Stichting is verantwoordelijk voor de inrichting en onderhoud van de Nederlandse erevelden over de gehele wereld. Namens de Nederlandse overheid onderhoudt de OGS ongeveer 50.000 graven van Nederlandse oorlogsslachtoffers. Op Java bevinden zich zeven Nederlandse erevelden: Ancol (Jakarta-Tandjong Priok), Menteng Pulo (Jakarta), Pandu (Bandung), Leuwigajah (Cimahi), Kalibanteng en Candi (Semarang), Kembang Kuning (Surabaya). Hier zijn ruim 24.000 slachtoffers, zowel burgers als militairen, van de strijd in Nederlands Indië begraven. De vervulling van een ereplicht, toen, nu en in de toekomst. Het motto van de Stichting is: ‘Opdat zij met eere mogen rusten’ .






                    Ereveld … het verhaal.
’Op maandag 5 maart 2007 brachten mijn vrouw en ik tijdens onze rondreis door Thailand een bezoek aan het ereveld Kanchanaburi en de brug over de Kwai rivier. Een lang gekoesterde wens ging in vervulling.’


Een kleine familiegeschiedenis
Douwe van der Wal, fuselier KNIL,
Bandoeng 1935.
Collectie M.E. Vermeulen-van der Wal


Mijn vrouw Martje Edith van der Wal is in 1939 te Magelang, midden Java, geboren. Zij is de dochter van KNIL militair Douwe van der Wal afkomstig uit Leeuwarden en de Indische Edith Hendrika Soffner uit Semarang. Tot de Japanse inval op Java in maart 1942 en de daaropvolgende capitulatie van het KNIL woonde het gezin op diverse plaatsen op Java en Bali. De hierop volgende periode van krijgsgevangenschap maakte een einde aan het gezinsleven.

Douwe van der Wal en zijn verloofde Edith Hendrika Soffner,
Malang 1938. Collectie M.E. Vermeulen-van der Wal.
Douwe werd na een eerste interneringsperiode op Java waarschijnlijk eind 1942 per schip op transport gezet naar Siam, nu Thailand, en werd tewerkgesteld aan de Birma-Siam spoorlijn. Deze periode duurde tot 15 augustus 1945 de dag waarop hij volgens zijn Japanse interneringskaart in Bangkok werd overgedragen aan de geallieerde strijdkrachten. Martje verbleef samen met haar moeder en andere familieleden op diverse plaatsen op Java, kamp Tawangsari te Lawang en kamp de Wijk, in Malang. Het huwelijk van haar ouders werd eind 1946 in Soerabaja door scheiding ontbonden. 
Voorzijde van Japanse interneringskaart Douwe van der Wal. Collectie Ed Vermeulen.

Martje werd aan haar vader toegewezen en reisde vanaf dat moment als een echte anak-KNIL met het legeronderdeel van haar vader mee. Na een aantal omzwervingen via Bali en Sumatra kwam zij in Batavia terecht. Na een kort verblijf in het Tjideng kindertehuis vertrok zij op 2 april 1947 met het m.s Kota Baroe naar Nederland. In Leeuwarden werd zij liefdevol opgenomen in het gezin van haar Friese grootouders. (zie verhaal East is East)


Ereveld Pandu,Bandung
Ereveld Pandu, Bandung, een bloemengroet,
rust in vrede. Foto: Oorlogsgravenstichting.
In de zomer van 1991 reisden wij samen met vrienden voor het eerst naar Indonesië. Een bezoek  aan het ereveld Pandu te Bandung was in ons reisschema opgenomen. We legden bloemen bij het graf van de grootouders van onze in Purwokerto geboren vriendin en lieten de beelden van deze indrukwekkende en schitterend onderhouden begraafplaats op ons inwerken. Wij dwaalden rond tussen de eindeloze rijen kruisen en lazen de soms bekende namen. Tot onze grote verrassing zagen wij een kruis met daarop de naam ’E.G.SOFFNER, KPL. PARA 1 KNIL’. Wij lazen de geboorte- en sterfdata, 20-4-26 en 29-6-49, het maakte hem drieëntwintig jaren jong. Het was de eerste keer dat wij de familienaam ’Soffner’ tegenkwamen buiten die van de moeder van mijn vrouw om. Een heel bijzondere  gewaarwording, die meteen vragen opriep, hadden we te maken met familie, een onbekende broer of neef misschien?
Ter plekke besloot ik om na terugkeer in Nederland een onderzoek naar de naam ’Soffner’ te beginnen. Allereerst zocht ik contact met de Oorlogsgravenstichting (OGS) in Den Haag. Per brief werd mij medegedeeld dat ’E.G’ stond voor ’Eduard George’, geboren 20-4-1926 te Djokjakarta, overleden 29-6-1949 te Kroja-Banjumas. Gesneuveld ten tijde van één van de vele acties van de aan het Korps Speciale Troepen verbonden Para Gevechtsgroep. Op een kaart van Java vond ik Kroja, gelegen tussen Purwokerto en de bekende havenplaats Tjilatjap. Ik wist iets, maar nog lang niet alles. Opnieuw wendde ik mij tot de OGS en begreep dat er ergens in Nederland een zuster van Eduard G. Soffner woonde.


Familierelatie
Eduard George (Eddy) Soffner.
Collectie Familie Soffner.
Via mijn ondertussen redelijk vergevorderde onderzoek naar de herkomst van de familie Soffner, met als uitgangspunt de uitgebreide informatie verkregen via het Indisch Familie Archief (IFA) in Den Haag had ik ontdekt dat één of meerdere Soffner’s zich rond 1800 in Indië hadden gevestigd. Op een inwonerslijst van Djokjakarta uit het jaar 1804 staat een soldaat met de naam Soffner vermeld. Inmiddels had ik vast kunnen stellen dat de grootvaders van Eduard George en van mijn vrouw Martje, broers waren. Beiden waren in respectievelijk 1844 en 1864 geboren in de aan de Javazee gelegen havenplaats Tegal. De familieband was dus duidelijk. Het lukte om contact te leggen met de zuster van Eduard, door haar Eddy genoemd, een lieve vriendelijke toen tachtigjarige dame. Zij was blij verrast te horen van onze belangstelling voor haar broer Eddy en de naam Soffner. We werden uitgenodigd voor een bezoek, waarbij wij allerhartelijkst ontvangen werden. Verhalen uit de familie en de moeilijke naoorlogse jaren in Indonesië en Nederland werden verteld. 
Naast Eddy had zij nog een broer verloren in de Tweede Wereldoorlog, Frederik Henri, soldaat KNIL geboren 02-7-1923 te Djokjakarta en overleden te Tarsao, Thailand op 23-6-1943, een week voor zijn twintigste verjaardag. Tarsao op km 131 van de beruchte Birma-Siam spoorlijn. Fred Soffner werd, na aanvankelijk begraven te zijn op een van de vele provisorische begraafplaatsen langs de spoorlijn, na het beëindigen van de vijandelijkheden herbegraven op het grote en speciaal ingerichte ereveld Kanchanaburi dat gelegen is op korte afstand van de brug over de Kwai.



Erevelden, Java
Ook had ik tijdens mijn familieonderzoek ontdekt dat twee jongere, voor ons onbekende, broers van mijn vrouw’s moeder Edith Soffner hun laatste rustplaats hadden gevonden op erevelden op Java. Hun namen: Albert Johannes en Floris Soffner beiden geboren in Tegal in respectievelijk 1919 en 1921. Albert overleed op 6 februari 1945 in kamp Bangkong, Semarang en ligt begraven op het ereveld Kalibanteng, ook in Semarang. Zijn Bangkong-kampnummer: 28652. Floris overleed op 6 maart 1942 in kamp Kesilir, Oost Java en is begraven op het ereveld Kembang Kuning te Soerabaja. Het einde van hun jeugd werd gemarkeerd door hun sterfdag. Een bloemengroet laat weten dat zij niet vergeten zijn.

Kamp Kesilir, nabij Kalibaru, Oost Java. Tekenaar onbekend, uit collectie Henk Smit.
Het met een pijl aangegeven huisje werd mede door Henk Smit gebouwd.



Kanchanaburi,Thailand
Ingang Kamp Kanchanaburi 1945-46. Op deze plek werd het Ereveld ingericht.
Collectie A. Kannegieter
Op maandag 5 maart 2007, een zonnige en hete dag, vertrokken wij vanuit Bangkok richting Kanchanaburi. Tijdens de rit werd ik door onze reisleider in de gelegenheid gesteld om via de boordmicrofoon onze medereizigers te vertellen over onze ’missie’, het brengen van een bloemengroet bij het graf van Fred Soffner en het bekijken van ’de Brug’ en ’de Spoorlijn’, de plek waar Douwe van der Wal bijna drie kostbare jaren van zijn leven, met een bijna fatale afloop, dwangarbeid moest verrichten. 
Ingang Ereveld Kanchanaburi.
Foto: Will van de Corput, Teteringen
Een tijd die hij ondanks ernstige ziektes, dysenterie en malaria, heeft overleefd dankzij zowel zijn sterke gestel als ook zijn onverwoestbare Friese nuchterheid. Na een tussenstop in Ban Don Wai stopte onze bus bij het aan een drukke weg gelegen ereveld. Het ereveld Kanchanaburi is aangelegd op initiatief van de ’Commonwealth War Graves Commission’. Dit is de Britse zusterorganisatie van de Nederlandse Oorlogsgravenstichting. Deze organisatie is verantwoordelijk voor het inrichten en onderhouden van oorlogsgraven van landen uit het Gemenebest. Ook het onderhoud van de Nederlandse graven op hun erevelden wordt door deze organisatie, in overleg met de OGS, verzorgd.

Fred H. Soffner, een foto uit andere tijden.
Collectie Fam. Lawson-Merke
Lopend in de brandende zon zagen wij de perfect onderhouden lange rijen graven met liggende stenen. Op de stenen bekende en onbekende namen. In vak 5, rij E, op nummer 27 vonden wij het graf van Fred Soffner. Hier legden wij een orchideeëntak, gekocht in een bloemenstal nabij het ereveld. Wij lieten de stilte met daarin het gefluit van vogels, de stemmen van bezoekers, het ruisende water van de grote sproeiers en het voorbijrijdende verkeer als enige achtergrondgeluiden op ons inwerken en lieten onze gedachten de vrije loop.
Bloemengroet bij het graf van onbekende neef
Fred Soffner.
Foto: Ed Vermeulen
Voor ons vertrek wisselde ik een paar woorden met één van de aanwezige opzichters en nam afscheid met een handdruk.







Graf Fred Soffner, 2 juli 1923 - 23 juni 1943.
Foto: Ed Vermeulen










In gedachten.
Collectie Ed Vermeulen





















Ereveld Kanchanaburi, Opdat Zij Met Eere Moge Rusten.
Foto: Ed Vermeulen
.
Birma-Siam spoorlijn
Van het ereveld reed de bus naar het nabijgelegen grote parkeerterrein bij ’de Brug’. Hier was op geen enkele wijze sprake van serene rust maar sloeg de toeristische drukte in volle kracht toe. Tientallen reisbussen brachten keer op keer honderden belangstellenden bij dit historische punt, gelegen aan de rivier Kwai Yai, die overigens ten tijde van de oorlogsjaren nog de naam Mae Klong droeg en eerst in 1960 zijn huidige naam verkreeg. 



Ondanks het alom aanwezige toeristische circus kostte het nauwelijks moeite om het juiste gevoel op te roepen, passend bij de herinnering aan Douwe en zijn kameraden in de tropenhitte werkend aan de spoorlijn in de jaren 1943-1945. 
Een gevoel dat nog het beste geïllustreerd en vergeleken kon worden met het beeld van de tientallen wegwerkers die wij op het traject van Bangkok naar Kanchanaburi met onze comfortabele reisbus gepasseerd waren, terwijl zij in de verzengende hitte van de middagzon bezig waren met het asfalteren van de autosnelweg. Met als grote verschil natuurlijk het ontbreken van de gewapende Japanse en Koreaanse soldaten en bewakers en zonder de allesoverheersende aanwezigheid van vernedering, geweld, ondervoeding en ziektes. Het gevoel oorlog versus vrede
kreeg meer en meer betekenis.  
Locomotief, de tand des tijds doorstaan.
Foto: Ed Vermeulen

Er liepen volgens mij nu meer Japanners rond dan tijdens de Tweede Wereldoorlog en ik vroeg mij af welke gedachten zij hadden bij het zien van de toeristische attractie die de ’Death Railway’ nu is geworden. Ik probeerde contact te maken, maar kreeg weinig tot geen respons. Het zij zo.
Japanse wijze van transport.
Foto: Ed Vermeulen
Na een bezoek van meer dan een uur vertrokken wij met de bus richting ons aan de Kwai-rivier gelegen hotel. Een bijzondere dag die werd afgesloten met een avondtocht per boot over de rivier. De ondergaande zon kleurde de hemel vuurrood.



Stevig constructiewerk Birma-Siam spoorlijn. Collectie A. Kannegieter


Bloedrood ging de zon onder.
Foto: Ed Vermeulen

15 augustus 1945
Van Bali-Lombok tot aan Palembang:
Gadja Merah, de Rode Olifant.
Collectie Pim Faber
Voor Fred Soffner en alle overige slachtoffers van de Spoorlijn blies een trompetblazer het signaal ’Last Post’. Dat zij allen in vrede mogen rusten. In de maanden volgend op de capitulatie van Japan werden in Thailand drie bataljons geformeerd, bestaande uit vrijwillig aangemelde en goedgekeurde ex-krijgsgevangenen van het oude KNIL. Als mouwonderscheiding droegen zij een aanvallende rode olifant. Douwe van der Wal was één van hen. Hij volgde met het 2e bataljon van de Bali-Lombok Brigade de roep van de Gadja Merah, de Rode Olifant.


Met het m.s. Rajula vertrok de Bali-Lombok Brigade midden fabruari 1946 vanuit Ban-Seng, Thailand naar Singapore.
Collectie Arie Lagendijk

Midden februari 1946 vertrok de brigade vanuit Thailand over zee met het m.s. Rajula naar Singapore naar Soerabaja. Hier werd overgescheept op het m.s Sainfoin. Via de rede van Soerabaja voer dit schip aansluitend richting Bali waar de troepen nabij Sanur aan land gingen.  De eerste stap op de lange weg naar Orde en Vrede.
Y-brigade op Sumatra, 1e Politionele Actie, Operatie Product,
Douwe van der Wal en een gedeelte van zijn peleton.
Collectie M.E. Vermeulen-van der Wal

Ereteken Orde en Vrede met jaargespen 1946, 1947, 1948 en
1949, zoals uitgereikt aan Adjudant O.O. Douwe van der Wal.
Collectie M.E. Vermeulen-van der Wal

Voor altijd samen op wacht met de klewang en de karabijn paraat.
KNIL 1830-1950. Bronbeek, Arnhem.
Foto: Ed Vermeulen

Het vervolg … Pusaka.
De eerste versie van het verhaal Ereveld werd in het door het Indisch Familiearchief uitgegeven Bulletin van juli 2007 opgenomen en kort daarna op de website geplaatst. Het werd door velen gelezen. Voor één lezer in het bijzonder had het verhaal een speciale betekenis. Op een avond nu een paar jaar geleden werd ik deelgenoot gemaakt van zijn opmerkelijke ontdekking. In een gesprek vertelde hij dat Eduard George Soffner zijn biologische grootvader van vaderszijde was. Een lang in de familie verborgen gehouden geheim werd nu geopenbaard en als ware het de ziel van de voorouders als erfstuk, Pusaka, doorgegeven en als waarheid aanvaard. Een in zijn bezit zijnde kris is hiervan het symbool. Weer werd er een pagina aan het familieboek toegevoegd


Douwe van der Wal staand links, een trotse KNIL fuselier.
Schietbaan Tjipatat nabij legerplaats Tjimahi, Java, 1935.
Collectie: M.E. Vermeulen-van der Wal












Keris gemaakt in 1921 voor Susuhunan Paku Buwono de 10e van Solo-Soerakarta (1866-1939). In 1939 als Pusaka geschonken.
Collectie: Privé bezit
Detail van dezelfde Keris, houten greep op kling, ingelegd met ruwe diamanten.
Collectie: Privé bezit

Nog een Indisch familieverhaal lezen? Dat kan via de verhalensite Oneindig Noord Holland waarop het verhaal Van Zeevaarder tot Gezagvoerder, (klik hier) over het leven en werken van KPM kapitein Boy Brijl, is geplaatst. Het verhaal neemt u mee van Indië  naar Nederland, Texel en weer terug naar Indië. Veel mooie historische foto’s!
Gedenk de namen van hen die ons voorgingen. Bedenk ook dat zij allen en ook wij onderdeel zijn van de geschiedenis.






Ed Vermeulen (1942)




De oorspronkelijke versie van het verhaal ’Ereveld’ werd gepubliceerd in het IFA Bulletin uitgave juli 2007 en aansluitend op de site. Op 10 augustus 2007 volgde plaatsing in de Baarnsche Courant. 

Bronnen:
Gadja Merah document door Ruud O. Spangenberg, november 1994.
Griselda Molemans - Opgevangen in andijvielucht, uitgave 2014
Oorlogsgravenstichting (OGS), Den Haag.
Stichting Indisch Familie Archief (SIFA), Den Haag - dossier familie Soffner.   
Willy Meelhuijsen – Revolutie in Soerabaja, uitgave 2000

Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter

woensdag 2 juli 2014

De belofte van voetballer Wout Heinen

Links Wout Heinen
Het lijkt op het eerste gezicht een hele simpele kwestie: Wout Heinen, speler in de semi-prof club HVC, verlengt zijn contract niet op 14 januari 1961. Hij vraagt overschrijving naar zijn oude club: Spakenburg. Daartoe is de medewerking van HVC nodig. HVC weigert deze medewerking en dus zal Heinen tot het volgende seizoen moeten wachten eer bij weer voor Spakenburg kan uitkomen. Volkomen regle­mentair, nietwaar? Een kwestie bovendien die zich vaker voordoet. Veel vaker zelfs ...

Jawel, maar in dit geval ligt de achtergrond anders dan in al die andere gevallen. Dit geval vloeit voort uit een gewetenskwestie. En de vraag rijst of enige vereni­ging, enige bond, HET MORELE RECHT HEEFT IEMAND TE STRAFFEN OMDAT HIJ WEIGERT TEGEN DE STEM VAN ZIJN GEWETEN IN TE GAAN. Zelfs aan de hand van de reglementen, die ten slotte ook maar door mensen zijn gemaakt. En door mensen, die bij de opstelling wel geen rekening zullen hebben gehouden met gewetensconflicten . . . Maar ik geef u eerst de feiten, want alleen aan de hand van deze feiten kunt u een oor­deel vellen.
 
Wout Heinen met vrouw en kinderen
Wout Heinen dan speelde destijds in de 2de klasser van de zaterdagmid­dagformatie, Spakenburg. Begrijpe­lijk dat deze vereniging in de zater­dagmiddagcompetitie speelt, want Spakenburg is overwegend Gerefor­meerd en voor de rest streng Hervormd en dus heiligt men daar de zondag in de meest volstrekte zin van het woord. Hoe men het in het dorp destijds opgenomen heeft, toen Wout Heinen overging naar het betaalde voetbal, dat zich op zondag voltrekt, weten wij niet, al kunnen we het zo ongeveer wel raden. Wij hebben er zeer opzettelijk niét naar geïnformeerd, want het doet er niet meer toe. Het is door de gebeurtenissen achterhaald.

Ootje Heinen
Wout's moeder, de 75-jarige "Ootje" Heinen was het er in ieder geval niet mee eens, dat haar jongen de zondag met voetballen ontheiligde. En toen ze eind 1959 voor de eerste keer van haar leven ernstig ziek werd, toen de dokters alle hoop reeds hadden opge­geven, toen Wout reeds vijf weken lang nacht in, nacht uit gewaakt had aan haar ziekbed, waarvan een ieder veronderstelde dat het haar sterfbed zou worden, sprak ze het uit. Ze vroeg Wout haar te beloven het zon­dagsvoetbal er aan te geven. Wij zou­den de man willen zien, die op zo'n ogenblik zijn moeder een dergelijke belofte weigert. Wout Heinen kón niet weigeren. Hij kón zijn geweten niet bezwaren met een weigering. Hij wees haar op zijn contractuele ver­plichtingen en beloofde haar aan het eind van het seizoen, als zijn contract was afgelopen, een streep te zetten onder het zondagsvoetbal.

Tegen alle verwachtingen in en tot ieders vreugde werd moeder Heinen beter. Maar zij hield en houdt haar zoon aan zijn belofte. En Wout is maar al te blij dat zij hem nog steeds persoonlijk aan zijn belofte kán hou­den. Hij zou er geen ogenblik aan denken die belofte te breken. Hij heeft gezegd: "Zodra mijn contract is afgelopen, voetbal ik zondags nooit meer." Een man een man, een woord een woord. Zijn contract is afgelopen. Wout Heinen zal zondags geen voet­bal meer aanraken. Nooit meer. Voor HVC is dat natuurlijk niet zo leuk. Wout Heinen was een der doel­puntenfabrikanten van onze vader­landse voetbalvelden. Hij heeft het Nederlandse B elftal aangevoerd te­gen het Belgische B elftal en hij is kandidaat geweest voor het Neder­lands elftal. Toen Wout Heinen zijn toenmalige vereniging HVC meedeel­de - kort nadat dominee Arends vanaf de kansel in de Nederlands Hervormde Kerk te Spakenburg zijn gemeente officieel in kennis had gesteld van het feit dat Wout Heinen het zondagsvoetbal zou staken en te­rugkeren naar de vereniging Spaken­burg - dat hij na afloop van het seizoen graag terug wilde naar zijn oude club, kreeg hij van het toenma­lige bestuur de toezegging dat hij op aller medewerking kon rekenen.
 
de heer G.J. Broers
Op 8 mei speelde hij zijn laatste wed­strijd - tegen Het Gooi - en daar­na wachtte hij rustig de overschrij­ving af. Maàr op 15 augustus had hij nog niets gehoord en dus ging hij eens informeren hoe de zaken ston­den. HVC had intussen een nieuw bestuur gekregen. De heer G. J. Boers, voorzitter van de sectie be­taald voetbal, beloofde hem opnieuw alle medewerking. Maar even later nam hij dit terug en verklaarde slechts zijn persoonlijke mening te hebben gegeven. Hij had bedoeld: als het hele bestuur er unaniem voor was om overschrijving te verlenen, zou hij het niet tegenhouden. Maar het hele bestuur was er unaniem té­gen geweest. Men wilde geen prece­dent scheppen. Misschien wilde men ook bewust of onbewust zijn wrok tonen over het feit dat moeder Hei­nen zich niet had laten vermurwen door de bestuursleden van HVC die eens met haar waren komen praten, in de hoop haar te kunnen overhalen Wout van zijn belofte te ontslaan. HVC heeft destijds aan Spakenburg f 3000.- betaald voor Wout Heinen. Hij heeft vijf jaar voor HVC ge­speeld. Die drieduizend gulden zijn er, gezien zijn produktiviteit op het punt van doelpunten, in die vijf jaar wel dubbel en dwars uitgekomen.



Jacq van Diermen, de voorzitter van Voetbalvereniging Spakenburg zegt: “Die drieduizend gulden die H.V.C. voor Wout betaald heeft, zijn er in de loop van die vijf jaren, dat hij voor ze gespeeld heeft, dubbel en dwars uitgekomen”
Maar toch heeft HVC het gevoel dat zij "een stuk kapitaal" zouden weg­geven, als zij Wout Heinen binnen de reglementaire termijn van een jaar overschrijving zouden verlenen.-, Dat is een argument dat wellicht enige zin zou hebben, wanneer Heinen voor een andere semi-prof club wilde gaan spelen, of zelfs voor een amateurclub die eveneens op zondag speelde. Nu gaat het niet op. HVC heeft van het zaterdagmiddags spelende 2de klas­sertje Spakenburg geen concurrentie te duchten. Maar HVC heeft 'de regle­mentaire voorschriften aan zijn zijde en die hanteert het, ook al zijn die voorschriften opgesteld voor een to­taal andere situatie. HVC belet Wout Heinen, die de hele week hard moet werken in de Hollandse Knopenfa­briek, zaterdagsmiddags bij wijze ván ontspanning een balletje te trap­pen. Omdat hij weigert zijn geweten geweld aan te doen. Dat hij, zo hij zijn zelfrespect bewaren wil, niet an­ders kán dan weigeren, doet voor HVC niet terzake. Wout Heinen is niet de eerste en niet de enige die omwille van zijn geweten onaange­naamheden te verduren krijgt. Ver­geleken bij wat anderen omwille van hun geweten hebben moeten lijden, is deze kwestie zelfs totaal onbe­langrijk. Maar wanneer Wout Hei­nen zegt: "Je gaat je net een soort slaaf voelen ... " moeten we onwille­keurig' denken aan de levendige han­del in gladiatoren die twintig eeuwen geleden bedreven werd en vragen we ons af of er in die twintig eeuwen op dit punt eigenlijk wel zo heel veel veranderd is. 

Aldus Wout Heinen op14 januari 1961

Dank aan Jolien Pruis te Baarn voor de informatie over deze belofte van Wout Heinen
 
Leen Bakker
Geplaatst door L.J.A.Bakker

http://knipselsuitkranten.nl

http://www.grijsvuur.nl

Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter